Gerard wordt herkend
Gerard Treffers stond bij de bakker toen de vrouw achter hem zei:
“Bent u niet die schrijver?”
Hij draaide zich om met een gezicht dat hij hoopte uitstraalde: dat hoor ik vaker.
“Dat zou kunnen,” zei hij.
Een bescheiden antwoord, vond hij zelf. Je moest de mensen de ruimte geven om onder de indruk te raken.
“Ik dacht het al,” zei de vrouw.
Gerard legde zijn hand op de toonbank. Een ontspannen houding. Hij had weleens auteursfoto’s bekeken.
“Leest u mijn columns?”
De vrouw aarzelde.
“Af en toe.”
Dat was voldoende. Gerard las zelf ook lang niet alles wat hij schreef. Zeker niet nadat het op de website stond. Dan vielen hem altijd dingen op die hij liever vóór publicatie had ontdekt.
“Welke vond u leuk?” vroeg hij.
Zodra de vraag eruit was, kreeg hij er spijt van. Hij had nu zelf ook geen titel kunnen noemen.
“Die over dat gedoe thuis,” zei ze.
Gerard knikte. Dat beperkte het oeuvre nauwelijks.
“Ja. Daar krijg ik veel reacties op.”
Voornamelijk van zijn vrouw, maar het waren reacties.
De bakker vroeg wat hij wilde hebben.
“Vier krentenbollen,” zei Gerard. Daarna keek hij weer naar de vrouw. “Het is natuurlijk de kunst om in het alledaagse iets te zien.”
“Zeker,” zei ze.
“De verhalen liggen op straat.”
“Uw handschoen ook,” zei de bakker.
Gerard bukte. Bij het overeind komen stootte hij zijn hoofd tegen de toonbank.
Er viel een korte stilte.
“Dat gebruik ik misschien nog,” zei hij.
De vrouw glimlachte beleefd. Gerard voelde dat het gesprek op een goed punt was om af te sluiten. Helaas was hij daar door de opwinding al voorbij.
“Schrijft u zelf ook?”
“Alleen boodschappenbriefjes.”
“Daar begint het mee,” zei Gerard.
Hij wist niet precies waarom hij dat zei. Waarschijnlijk omdat je als schrijver bij de bakker ook niet zomaar kon antwoorden: o.
De vrouw was aan de beurt. Gerard bleef nog even staan, voor het geval ze iets wilde laten signeren. Een kassabon bijvoorbeeld. Hij was daar niet moeilijk in.
“Zes zachte bolletjes,” zei ze.
Daarna keek ze hem nog eens aan.
“Nu weet ik het weer. U bent die man van dat stukje dat mijn zus doorstuurde.”
Gerard voelde een aangename warmte. Zo ging dat dus. De ene lezer stuurde het door naar de andere. Je had geen idee hoeveel mensen je bereikte.
“Wat leuk,” zei hij. “Wat schreef ze erbij?”
De vrouw dacht na.
“Volgens mij: jij kent hem toch?”
Dat was iets minder literair dan hij gehoopt had, maar hij bleef vriendelijk knikken.
Buiten liep hij wat rechter dan gewoonlijk. Herkend worden deed toch iets met een mens. Hij besloot het thuis terloops te vertellen. Tijdens de koffie, alsof het hem nu pas te binnen schoot.
Zijn vrouw deed de deur open.
“Je bent lang weggeweest.”
“Ik werd aangesproken door een lezer.”
“O ja?”
“Bij de bakker. Ze herkende me meteen.”
“Leuk.”
Gerard legde de zak op tafel en hing langzaam zijn jas op. Hij gaf haar de gelegenheid tot een vervolgvraag.
Die kwam niet.
“Ze kreeg mijn columns doorgestuurd,” voegde hij eraan toe.
Zijn vrouw opende de zak.
“Waar is het brood?”
Gerard keek naar de vier krentenbollen.
Brood. Natuurlijk.
“Dat stond toch op het briefje?” zei ze.
Hij haalde het uit zijn zak. Het stond er inderdaad. Bovenaan zelfs.
Even later stond hij opnieuw bij de bakker.
“Daar bent u weer,” zei ze.
Dat was nu al de tweede keer die ochtend dat hij werd herkend.