Text Size

paulus 2

 

 

Paulus op het bankje

Ik zat al een kwartier op dat bankje toen ik bedacht dat ik of aan het filosoferen was, ofwel dingen aan het uitstellen was. In beide gevallen hoefde ik niets te doen, wat inmiddels verdacht is geworden. Zelfs nietsdoen moet tegenwoordig een doel hebben. Of een kader. Of een coach. Mindfulness, heet dat dan. Ik noem het zitten.

De wereld schoof langs me heen als een eindeloze feed waar niemand ooit onderaan komt. Mensen bewogen zich snel. Te snel. Dat zie je niet aan hun benen, maar aan hun schouders. En aan hun nek. Hun hoofd liep permanent vooruit op hun lijf, alsof ze bang waren dat de volgende gedachte anders zonder hen zou vertrekken. Alleen hun schoenen waren betrouwbaar: die gingen gewoon naar voren. Dat is tegenwoordig al moreel standvastig gedrag. Ik keek. Dat doe ik vaker. Niet omdat ik alles begrijp, maar omdat ik vermoed dat wat ik niet zie, mij uiteindelijk zal regeren. Ik bedacht dat velen als een escape  nog in wonderen geloven.

Toen ging er iemand naast me zitten.

Dat alleen al was opmerkelijk. Bankjes zijn uit de mode. Ze dwingen tot stilstand. Tot aanwezigheid. En aanwezigheid is riskant. Mensen zouden je kunnen aankijken. Of erger: iets van je verwachten.

Deze man deed beide.

De sandalen (eerste waarschuwing)

Ik zag eerst zijn sandalen. Niet omdat ik iets heb met voeten, maar omdat ze hier niet hoorden. Alles om ons heen was strak, glad, doelmatig en licht paniekerig. Zijn sandalen waren oud, breed en overtuigd. Dit waren sandalen die wisten waarvoor ze liepen. Dat maakt ze zeldzaam.

“Broeder,” zei hij.

Mijn brein schakelde meteen tussen twee gedachten:

Dit wordt religieus.
Dit wordt interessant.

Hij zuchtte. Zo’n zucht waarin eeuwen opgeslagen liggen.

“Gij leeft,” zei hij, “in een tijd die ik niet herken — en daarom des te beter begrijp.”

Hij stelde zich voor als Paulus. Geen achternaam. Geen ironie. Geen uitleg. Gewoon Paulus. Die vanzelfsprekendheid zie je alleen nog bij profeten en influencers — en zelfs die beginnen meestal met een disclaimer.

Mijn telefoon en zijn blik

Zoals altijd in ongemakkelijke momenten kijk ik onbewust op  mijn telefoon. Dat is onze moderne vorm van getuigenis: hier, kijk, dit is de wereld. We doen alsof technologie neutraal is, maar verwachten er ondertussen redding van.

Paulus nam het apparaat vast alsof het levend was.

Hij scrolde.
En scrolde.
En stopte.

“Bij ons,” zei hij langzaam, “had de zonde nog tijd.”

Dat raakte me onverwacht hard. Zonde met rust. Met duur. Met nasleep. Niet alles meteen zichtbaar, gedeeld en weggeveegd door de volgende prikkel. Hij zag oorlog naast reclame. Klimaatpaniek naast kattenfilmpjes. Rouw naast zelfpromotie. Alles even luid. Alles even belangrijk. Alles even vluchtig.

“Gij zijt een volk,” zei hij, “dat alles ziet — en niets verdraagt.”

Ik dacht aan mezelf. Aan hoe ik moeiteloos verontwaardigd ben over grote rampen, maar licht geïrriteerd raak als mijn verbinding hapert. Principieel, tot de batterij leeg is.

Ik, moderne mens (met updateproblemen)

Paulus luisterde. Luisterde echt. Niet begrijpend — dat is overschat — maar aandachtig. Zoals iemand luistert die vaker verkeerd is geciteerd dan begrepen. Ik vertelde hem dat ik geloof, maar niet te expliciet. Dat ik twijfel, maar graag met nuance. Dat ik zoek, zolang het me niet te veel kost.

Hij glimlachte. Dat was erger dan afkeuring.

“Gij zijt niet lauw,” zei hij, “maar versnipperd.”

Dat bleef hangen. Ik voelde me plotseling als een map vol losse documenten zonder titel. Veel meningen. Geen richting. Waarschuwingen tegen oppervlakkigheid, geschreven op platforms die daarvan leven. Woede tegen systemen, geformatteerd voor bereik.

Paulus zweeg. En zijn zwijgen werkte.

Apocalyps van onze tijd

We liepen. Doelloos, en dus opvallend vrij. Om ons heen mensen die zichzelf aan het optimaliseren, verdedigen of herpositioneren waren. Niemand was onderweg. Iedereen was een project.

“Gij noemt dit vrijheid,” zei Paulus, “maar gij verdraagt geen verlies.”

Hij zag wat wij liever niet zo noemen: dat onze Apocalyps geen vuurzee is, maar een eindeloze voortgang zonder oordeel. Geen einde, geen openbaring, geen afsluiting. Alleen updates. Niets mag sterven. Geen idee. Geen identiteit. Geen verontwaardiging. Alles wordt gerecycled tot content.

“Bij ons,” zei hij, “werd men verlost van de wet. Gij zijt 'verlost' van grenzen.”
Dat klonk niet als vooruitgang.

Het geheim (dat niet in onszelf zit)

Alsof hij mijn gedachten voor was, boog Paulus zich iets naar me toe.

 Hij merkte mijn aarzeling en verduidelijkte het, bijna terloops, alsof dit voor hem geen dogma maar ervaring was. “Ik noem Jezus,” zei Paulus, “niet omdat gij behoefte hebt aan een nieuw verhaal, maar omdat gij uzelf niet kunt verlossen. De mens is niet kapot door onwetendheid, maar door zichzelf serieus te nemen als laatste instantie.” Jezus Christus, zo zei hij, was voor hem geen ontsnapping aan de wereld, maar Gods antwoord erop: geen idee om te volgen, maar een leven dat van buitenaf binnenbreekt. “Wat gij niet kunt herstellen,” zei hij, “heeft God niet aan u overgelaten.” En juist daarom was geloof geen toevoeging aan het leven, maar het einde van de illusie dat wij het zelf kunnen dragen.

De brief (hij kon niet anders)

Toen het licht veranderde — plots, ongelegen, zonder overgang — wist ik dat hij zou verdwijnen. Apostelen blijven niet. Ze brengen een boodschap en vertrekken.

Hij liet een brief achter.

Brief aan een tijd die alles weet

Broeders,

Ik verwonder mij dat gij zo druk zijt en zo weinig verandert.

Gij zijt geïnformeerd, maar niet gevormd.
Gij zijt verbonden, maar niet betrokken.
Gij meet alles, behalve uzelf.

Gij roept om waarheid, maar duldt haar slechts zolang zij u bevestigt.
Gij roept om vrijheid, maar vreest elk einde.

O dwaze tijd, wie heeft u geleerd dat voortgang zonder oordeel geen ondergang is?

Een wereld die niets laat sterven, zal zichzelf niet kunnen redden.

Daarom: wacht.
Niet op een teken, maar op stilte.

Want waar niets wordt verdragen, kan niets worden vernieuwd.

Terug naar het bankje

Paulus was weg. Het bankje was er nog. De wereld ook.

Mijn telefoon trilde. Hij deed dat altijd. Alsof hij iets nodig had. Van mij.

Ik liet hem liggen.

Niet als statement. Daarvoor voelde het te klein. Maar misschien als oefening.
Of als begin.

Ook openbaringen beginnen vaak met stilstand.

 
Pin It